Maleachi 3,1-4 en Lucas 2,22-40 – zr. Emmanuel

Inleidend woord en gebed:

Zusters en broeders, wij mogen ons welkom weten in het huis van de Heer, onder zijn zegen: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
We vieren deze zondag het feest van de Opdracht van de Heer in de tempel. Dat is waarover het Evangelie ons verhaalt. De evangelist Lucas vertelt hoe Jezus, veertig dagen oud, door zijn ouders naar de tempel in Jeruzalem wordt gebracht. Daar wordt Hij, volgens het voorschrift van de Wet dat elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht aan de Heer moet worden toegeheiligd, aan God opgedragen.
In 1997 stelde paus Johannes Paulus II de Werelddag van het Godgewijde leven in en koos daarvoor 2 februari, aangezien religieuzen hun leven op hun beurt helemaal opdragen aan God. Deze dag is een dag van herbronning voor religieuzen – in onze gemeenschap vernieuwen we op deze dag onze professie –; en een dag van gebed om roepingen tot het religieuze leven.
Toch is het feest van deze zondag niet alleen relevant voor het leven van religieuzen, maar voor het leven van iedere gelovige. Immers, ieder van ons heeft zijn of haar leven van God gekregen, en iedere gelovige is geroepen om ‘godgewijd’ te leven. Laten wij ons in deze viering daarop bezinnen. Richten wij ons met een gebed tot God (…):
God, Vader van alle barmhartigheid,
vanuit uw liefde heeft U ieder van ons in het bestaan geroepen.
Wij bidden U: heilig ons leven toe aan U
en doe ons ten diepste verstaan wat dat wil zeggen,
opdat wij steeds meer godgewijd gaan leven, uit liefde voor uw liefde. Door Christus, onze Heer. Amen.

Bezinning:

Het lied dat we zojuist zongen maakt het feest van deze zondag meteen zo wijd en breed dat ieder van ons weet: ‘Dit feest gaat ook over mij!’
‘Heilig zult gij zijn, want Ik, uw God, ben heilig!’ zongen we als terugkerend refrein. Dat is de opdracht aan ieder van ons, het refrein van ieders levensverhaal.
‘Wees heilig, want Ik ben heilig!’ Dat klinkt, net als het evangelische ‘wees volmaakt zoals uw hemelse Vader volmaakt is’, in onze oren misschien als een haast onmogelijke opgave. Iets waar we niet aan kunnen tippen. Maar heiligheid, volmaaktheid, wil in Bijbels en gelovig opzicht zeggen: heelheid, een mens uit één stuk zijn. Dat is niet iets wat we op eigen kracht kunnen bewerkstelligen. Nee, het gebeurt aan ons, we wórden, zoals we zongen, in heelheid opgericht.
Toch gaat dat ook niet buiten ons om. Van ons wordt gevraagd Gods aanschijn te zoeken, ons tot zijn aangezicht te wenden. Wanneer we dat doen, iedere dag opnieuw, zullen we gaandeweg merken dat ons gaan en staan, en heel ons doen en laten, verlicht wordt.
Heel ons leven wordt zo aan God toegeheiligd. En dat is passend, want wij danken ons bestaan aan Hem die het heeft gegeven. Ons leven, ons bestaan, is een gave. En blijft ook een gave. Een gave die we in dankbaarheid mogen ontvangen, en weer in dankbaarheid mogen teruggeven. Dat wil zeggen dat ons leven vruchtbaar dient te zijn. Zoals meister Eckhart het eens verwoordde: ‘Alleen het vruchtbaar worden van de gave is dankbaarheid voor de gave.’
Wij dragen de vruchten aan van de levensgave die wij ontvangen hebben. Maar ook hier ligt weer de gedachtegang op de loer, de misvatting, dat de vruchten ‘perfect’ moeten zijn, dat ons offer ongeschonden moet zijn. Maar wat God wil, is dat wij Hem ons leven, onszelf geven, precies zoals het is, precies zoals wij zijn. Met ons falen, met ons gemis, met onze gebrokenheid. Wij mogen erop vertrouwen dat Hij ons geschonden leven met tederheid ontvangt. Hij vervult en geneest het, en beademt het met zijn Geest.
Wanneer wij zo leven, niet door macht van eigen hand, maar op de adem van Gods Geest, komen we ook tot elkaar. Niet alleen ons eigen leven, ook ons samenleven wordt tot heelheid en eenheid gebracht. Rondom Gods altaar delen wij het leven met elkaar.
En zo wordt ons leven een antwoord. Een antwoord op de liefde die er de bron van is. Een antwoord dat klinkt in onze vruchtbaarheid, in onze daden, elke dag opnieuw.
Bij de profeet Maleachi hoorden we: ‘Let op, Hij komt, zegt de Heer van de hemelmachten. Maar wie kan de dag van zijn komst verdragen? Wie zal er staande blijven wanneer Hij verschijnt?’ We kunnen die woorden nu verstaan zoals ze bedoeld zijn. Niet als bangmakerij. Wel als een aansporing om ernst te maken met ons leven. Want vroeg of laat zullen we het moeten teruggeven aan Hem die het heeft gegeven. Moge het dan een vruchtbaar en ten volle geleefd leven zijn.