Jesaja 62,1-5 en Johannes 2,1-12 – br. Hans-Peter ofm

inleidend woord:

Zusters en broeders,
Van harte welkom in deze vigilieviering. Wij zijn hier bijeen in de naam van de + Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen. In het Evangelie van deze zondag horen wij moeder Maria spreken. Maria spreekt niet veel in het Evangelie. Vrouwen komen sowieso weinig aan het woord in de Bijbel. Maar áls ze aan het woord komen, is dat vaak op een sleutelmoment. Zo ook nu. Sinds enkele jaren mag ik op het Maasland College vertellen wat en wie mij inspireert. De zin die Maria deze zondag spreekt, neem ik altijd mee. “Doet maar wat Hij u zeggen zal.” Het is een oproep om te luisteren en er wórdt naar haar geluisterd. Blijkbaar had Maria daar echt iets te zeggen. Afgelopen vrijdag hield de Kerk de Dag voor het Jodendom, de religie waarmee het christendom haar wortels deelt. Maria was en bleef Jodin en Jezus was en bleef Joods. Als er iets in het jodendom centraal staat is het het luisteren naar het Woord van God en het bevragen. Dat is precies ook waar Maria toe oproept vandaag. En dat gaan we dus ook doen…

Bezinning:

De setting van het Evangelie van deze zondag is duidelijk. Om in theatertermen te spreken: het decor is een feestzaal. De scène is een Joodse bruiloft, een chatoena. Of om precies te zijn: we zijn op de feestelijkheden ná het ceremonieel voltrekken van het huwelijk. Na het feestmaal worden op een chatoena na de Birkat Hamazon, het dankgebed om de maaltijd af te sluiten, waarbij men een tot de randgevulde beker met wijn vasthoudt, de zeven zegeningen – Sjeva Berachot – herhaald die al tijdens de ceremonie zijn uitgesproken, zij het dat de eerste nu de laatste wordt, degene waarmee een tweede beker wijn wordt gezegend, die daarna gedronken wordt om de Sjeva Berachot af te sluiten. Telkens wordt God om iets gezegend en daarmee datgene zelf: (1) de schepping, (2) de mensheid, (3) de mensheid als evenbeeld van God, (4) het symbolische Jeruzalem en haar kinderen, het Joodse volk dus, (5) de bruid en bruidegom, (6) de omgeving van het bruidspaar en hun toekomstige kinderen en tenslotte dus (7) de wijn in het tweede glas. En hier loopt het schijnbaar fout: de wijn raakt op… het tweede, onmisbare, glas kan niet meer gevuld worden en de Sjeva Berachot kan niet gesproken worden Het probleem van het verhaal is geschetst, de zoektocht naar de oplossing kan beginnen.
De twee hoofdrolspelers zijn op. Het zijn niet de bruid en de bruidegom. Die zitten als figuranten op de achtergrond. Het zijn Maria, een vrouw van in de veertig en haar zoon Jezus, net dertig geworden en een beginnend rabbi, met zijn eerste vijf leerlingen Andreas, Simon Petrus, Filippus, Natanaël en de geliefde leerling om hen heen. Maria stoot haar zoon Jezus aan: “Ze hebben geen wijn meer.” Had het hier bij gebleven, dan zou je kunnen zeggen dat het leedvermaak is. Maar we hebben het niet over zomaar iemand, we hebben het over Maria. En dit stuk is ook geen komedie maar dé Goede Boodschap, het Evangelie. Jezus vindt dat zijn moeder er zich niet mee moet bemoeien. Dan volgt de laatste keer dat Maria spreekt in het Evangelie: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Stel je eens voor dat jij op een bruiloftsfeest te gast zou zijn. Wie zou er het personeel aan mogen spreken met opdrachten? Het bruidspaar, de ceremoniemeester en misschien nog nét de ouders van het bruidspaar. Dan heb je het wel gehad; niet zomaar iedere gast. Maria kan dus niet zomaar een tante of goede bekende zijn geweest op die bruiloft. Ze had daadwerkelijk iets te zeggen. Iets in de pap te brokkelen.
Langs de bedienden, dwars door tijd en ruimte – dwars door de vierde wand – kijkt ze ons aan. Haar blik is lief, begripvol, maar tegelijk vastberaden: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.” Het is het dramatische hoogtepunt van de scène; nog enkele ogenblikken of het doek gaat zich sluiten, de eerste akte van het Evangelie van Johannes is voorbij. Ze spreekt jou aan, mij aan, de hele wereld aan. Het zijn haar laatste woorden in het Evangelie. Maria heeft haar opdracht van God volbracht. Ze heeft Gods Zoon, haar Kind, geboren doen worden in de wereld, ze heeft Hem groot gebracht; hem opgevoed en verzorgd. Ze is klaar. Vanaf nu zal Hij het zelf moeten doen, met een zacht zetje zet ze haar Zoon nu de wereld in en geeft ze de wereld, aan dus ons, de opdracht te luisteren naar haar Zoon en Hem te volgen. “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
Verdwijnen zal ze niet. Ze gaat ons voor in de opdracht die ze ons zelf geeft. Ze zal bij Hem blijven langs de weg die Hij gaat tot op die berg van Golgotha. En ze zal er zijn als Hij in het graf wordt gelegd. Zelfs daarna blijft ze bij zijn leerlingen, om uiteindelijk getuige te zijn van zijn verrijzenis. Maar zover is het nu nog lang niet. Maria kan nog geen weet hebben van wat komen gaat. Enkel de regisseur, God de Vader, heeft het script in handen, maar toch spreekt ze: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”
De Kerk verbindt dit verhaal met de woorden van Jesaja die we zojuist ook beluisterd hebben. Gemakkelijk denken we bij deze liefdesverklaring aan de bruid en de bruidegom, die nog steeds ergens op de achtergrond zitten. Maar we moeten beter luisteren dan dat. Misschien zijn dit de woorden waar Maria aan moest denken op dat bewuste moment. “Uit liefde voor Sion kan ik niet zwijgen…” Ze kán zich niet door Jezus laten tegenhouden. Dit móét gebeuren. “Uit liefde voor Jeruzalem ken ik geen rust, totdat zijn heil straalt als een gloed en zijn redding als een brandende toorts.” Uit liefde voor haar volk, geeft Maria haar Zoon. Het gaat allang niet meer over het klein leed van het bruidspaar te Kana.
“De volken zullen uw heil zien en alle koningen uw glorie. Zij geven u een nieuwe naam, die ’s Heren eigen mond heeft bepaald.” Ze weet niet wat er gaat gebeuren, maar ze weet dat er gezegd is over haar Zoon en haar land, of beter de wereld: “Gij zult een luisterrijke kroon zijn in ’s Heren hand, een koninklijk diadeem in de hand van uw God. Men noemt u niet langer Verstotene, en uw land niet langer Verlatene, maar gij zult heten: Mijn Welbehagen en uw land: Gehuwde; want de Heer heeft welbehagen in u en uw land wordt gehuwd.”
Op dit moment in het Evangelie geeft Maria haar Kind aan de wereld, zoals de oude traditie van het weggeven van de bruid door haar vader aan de bruidegom. De setting van de bruiloft is dus passend, maar zoals vaak in het Evangelie is het hier net anders: hier geen vader die zijn dochter weggeeft aan haar bruidegom. Nee, we hebben hier een moeder die haar Zoon weggeeft aan de wereld, en: “Zoals een jongeman een meisje huwt, zo zal Hij, die u opbouwt, u huwen. En zoals de bruidegom blij is met zijn bruid, zo zal uw God zich verblijden om u.”
Jezus is ons gegeven. Hij heeft de wereld gehuwd. Maria vraagt van ons de volledige overgave aan God, die traditioneel eerder met de Islam – dat betekent ‘overgave’ – wordt verbonden, maar dus in het Jodendom en ons christendom ook voorkomt. Denk maar aan onze religieuze geloften. Dus, luisteren wij naar Maria en geven we ons over aan Jezus, haar Zoon, Gods Zoon, onze Broeder, Bruidegom en Heer: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.”