Jezus Sirach 27,30+28,1-7 – broeder Hans-Peter
inleidend woord:
Zusters en broeders, we zijn hier bijeen in de Naam van de Vader +, de Zo[on en de heilige Geest.
Soms zijn we niet blij met iets wat een anders bedacht, gezegd of gedaan heeft. We kunnen er heel boos om worden. Dat is niet erg. Niets menselijks is ons vreemd. Wat niet goed is, is erin blijven hangen. Net als in het verleden. Ik ken dat van mijzelf maar al te goed. Als iets goed gaat, waarom zou het dan ineens anders moeten? Ik vind het allemaal niks. Vaak moet ik dan echt dingen. Kom op. Leg je erbij neer. Als er nooit wat was veranderd, woonden wij nu nog in grotten en liepen in berenvellen rond.
Als christenen moeten we beter weten. We weten toch dat God altijd in het hier en nu iets nieuws begint. Als we daar niet in meegaan, zetten we ons zelf vast. En als wij boos blijven op een ander, worden onze eigen fouten dubbel en dwars aangerekend door God, horen we Jezus Sirach zeggen.
Laten we in deze viering proberen om alle ballast van het verleden waar we vanaf willen voor God neer te leggen én het daar te laten… vragen wij daartoe God om hier aanwezig te zijn en ons er de kracht toe te geven…
bezinning:
Wek mijn zachtheid weer… het is belangrijk om onze verhardheid te verliezen. Dan kunnen we ons hart openen en God geboden onderhouden. Immers… met een verhard hart kun je niemand lief hebben; ook jezelf niet. En als we een ander niet willen vergeven, waarom denken we dan dat God ons zal vergeven?
We hoorden daar straks die andere Jezus aan het woord, Jezus Sirach. Dat gebeurt niet zo vaak. Hij staat maar een paar keer – 4x in jaar A, waarvan 2x al in de kersttijd – op het leesrooster. Deze professionele schriftgeleerde horen we dus niet vaak. Zoals hijzelf schrijft: “Lessen in wijsheid en kennis zijn neergelegd in dit boek door Jezus, de zoon van Sirach Eleazar, uit Jeruzalem, die wijsheid liet stromen uit zijn hart. Zalig degene die er zich mee bezighoudt: als hij ze ter harte neemt, wordt hij wijs. Want wie daarnaar handelt, zal alles vermogen: de vrees voor de Heer is leven.”
Laten wij er ons dus eens mee bezighouden wat hij schrijft. Vorige week had zuster Elisabeth het over zonde. In de eerste zin van Jezus Sirach vandaag spreekt hij van een zondaar. Wie met wrok en gramschap of anders gezegd bittere haat en razernij blijft rondlopen zal niet veel goeds doen.
Wraak kan nooit de oplossing zijn. De enige weg te gaan is vergeving. Hoe moeilijk dat ook kan zijn. Het deed mij denken aan Het boek van vergeving van Desmond & Mpho Tutu. Vergeven is voor hun het enige wat je kunt doen om jezelf en de wereld te bevrijden van de starre cirkel van pijn en vergelding. Als voorzitter van de Waarheids- en Verzoeningscommissie die in 1995 werd ingesteld van het apartheidsregime in Zuid-Afrika, was aartsbisschop Tutu als geen ander met dit thema bekend. Voor hem en zijn dochter, die zijn werk voortzet, gaat vergeven in vier stappen: eerst je verhaal vertellen, dan je pijn benoemen, als derde vergevind schenken en tenslotte óf je relatie vernieuwen óf loslaten, indien dat eerste niet lukt. Dat is verre van eenvoudig, maar wel de enige weg om niet in de valkuil te stappen die Jezus Sirach zou goed beschrijft. Het was de enige manier om Zuid-Afrika de toekomst in te helpen en dus vergaven de zwarte Zuid-Afrikanen. Zelfs kinderen die voor hun ogen gezien hadden hoe hun vader vermoord werd, nadat ze hem gemarteld hadden en de rechterhand hadden afgehakt, zeiden voor de commissie. We willen weten wie het waren. We willen vergeven. En dat kan alleen als we weten wie we moeten vergeven. We moeten door.
“De simpele waarheid is”, aldus Tutu, “dat we allemaal fouten maken en dus vergeving nodig hebben.” Je kunt niet zelf om vergeving vragen, als je niet zelf vergeven hebt, waarschuwt Jezus Sirach ons. Wie met wrok en haat de kist in gaat, zal boven moeilijk onthaalt worden. Zie door de vingers wat onwetendheid is. Vaak weten mensen helemaal niet wat je ze aan doet. En als je boos blijft, heb je er twee keer last van: van het gebeuren én van dat gevoel. Vergeven je kunt het nooit genoeg.
Die ander Jezus, Die van Nazareth, zegt niet voor niets dat we 70 maal 7 maal moeten vergeven. Dat wil niet zeggen dat het bij de 471x niet meer hoeft. Nee, gewoon áltijd. We hebben er immers vooral ons zelf mee. Wij hebben een rotgevoel. Die ander niet, die is zich misschien zelfs van geen kwaad bewust.
Onze Franciscus’ roept er in zijn Regel ook toe op: Geef en u zal gegeven worden. Vergeef en u zal vergeven worden. En als u de mensen hun zonden niet vergeeft, vergeeft de Heer u uw zonden niet; beleid al uw zonden. Gelukkig die in boetvaardigheid sterven, want zij zullen in het koninkrijk der hemelen wonen. Wee degene die niet in boetvaardigheid sterven, want zij zullen kinderen van de duivel zijn wiens werken zij doen en zij zullen het eeuwige vuur ingaan. Kijk uit, houd u ver van alle kwaad en volhard tot het einde.
Vergeef en u zal vergeven worden… Maar ik vind het mooiste bij Jezus’ uitleg te merken dat het in feite omgekeerd is. Wij moeten niet vergeten opdat wij vergeven worden, maar omdat wij al vergeven zijn. Onze grote schuld is ons kwijt gescholden, wat zeuren we dan om een kleine schuld van een ander? Juist als we daarover blijven zeuren, trekt God zijn vergeving in en krijgen we ons eigen verdiende loon alsnog.
We mogen erop vertrouwen dat God ons onze schuld vergeeft, het wel of niet vergeven van een ander staat daar los van. God vergeeft, behalve als jij daarna de ander zelf niet vergeeft. Omdat kind geeft God namelijk ook, immers God heeft ál zijn kinderen even lief.
Dat wil ook zeggen dat we er op mogen vertrouwen dat een medechristen ons om deze reden ook de kleine zaken tussen hem/haar en jou vergeeft… niet voor niets beloven we dat ook telkens wanneer we het bekendste gebed van ons geloof bidden: “En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren…”