Matteüs 18,15-20 – zr. Elisabeth

welkom en inleiding:

Welkom aan een ieder, wij mogen hier als bijeengebrachte gemeenschap samenzijn in de naam van de + Vader, de Zoon en de heilige Geest.
Als mens maken we in ons leven voor kortere of langere tijd deel uit van meerdere gemeenschappen: onze familie, onze klas, onze kerkgemeenschap, onze werkkring, onze sportclub, onze communiteit en zo zijn er nog vele soorten gemeenschappen te noemen waar wij aan deelnemen gedurende ons leven. Dat kan ons vredig doen samenleven. Maar we gaan er geregeld ook onherroepelijk de fout in. En dan kan het nodig zijn de ander daarop aan te spreken. Zelf vind ik het een lastig thema en nog lastiger om uit te voeren, daarom heb ik een wegwijzer gezocht en die vond ik in Dietrich Bonhoeffer. In 1937 verscheen van zijn hand het Duitse boek ‘Gemeinsames leben’, het werd ook in het Nederlands uitgegeven onder de titel: ‘Leven met elkander’, en in een latere uitgave kreeg het de titel ‘Gemeenschapsleven’. Ik zal hem voornamelijk aan het woord laten straks want zijn woorden hebben nog steeds zeggingskracht. En ook zullen we aan het eind van de viering Franciscus van Assisi nog even laten spreken. In zijn wijsheidsspreuk is te horen dat hij in zijn broederschap ook ervaring heeft opgedaan hoe om te gaan als iemand je ergens op aanspreekt.

overweging:

‘Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht’. Dat is de zin die me al voldoende stof gaf om bij stil te blijven staan vanavond. Hoe moet ik dit verstaan, wat is zonde? Andere Bijbelvertalingen spreken over ‘Als je broeder je iets misdaan heeft’ en ‘als je je broeder verkeerd ziet doen’. En vorige maand heeft benedictijn br. Philippe in onze retraite gedeeld dat zonde een verwonding van onze ziel is die verwijdering brengt in onze relatie met God en elkaar.
Deze vertalingen van wat zonde is helpen mij te verstaan waarom het soms nodig is om elkaar aan te spreken op iets dat niet goed gaat. Niet om mijn gelijk te willen halen, maar omdat we allemaal één en dezelfde Vader hebben en we met elkaar om moeten gaan als zussen en broers, we zijn aan elkaar verwant en verwanten dragen zorg voor elkaar. Als verwanten willen we het goede voor elkaar en willen we dat onze relaties met God goed en gezond zijn. Maar hoe doen we dit, hoe pakken we dit goed aan dat aanspreken van elkaar? Enige voorbereiding en bewustwording zou ons en vooral de ander die we willen aanspreken goeddoen want iemand vermanen brengt verantwoordelijkheid met zich mee.
Volgens Dietrich Bonhoeffer is het van belang om niet te groot van onszelf te denken, maar een nederige plaats in te nemen en jezelf als grootste zondaar te beschouwen, net zoals Paulus dat deed. Als je eigen zonde je nog ergens, in vergelijking met de zonden van anderen, kleiner, minder verwerpelijk voorkomt, dan zie je in wezen je eigen zonde nog niet helemaal in. Aldus Dietrich Bonhoeffer, ik laat Bonhoeffer verder aan het woord over het voorstadium van iemand aanspreken:
Zoals de liefde tot God ermee begint, dat wij naar zijn Woord luisteren, zo begint de liefde tot de broeder ermee, dat wij leren naar hem te luisteren. De liefde van God jegens ons komt daarin uit, dat Hij ons niet alleen zijn Woord geeft, maar dat Hij ook naar ons luisteren wil. …
Er is ook een luisteren met halve oren, in het bewustzijn toch al te weten, wat de ander heeft te zeggen. Dat is het ongeduldige, onoplettende luisteren, dat geen eerbied heeft voor de broeder en er alleen maar op wacht, dat men tenslotte zelf aan het woord kan komen en daarmee zich van de ander kan ontdoen. …
Als er niet het juiste luisteren aan is voorafgegaan, hoe zou het dan werkelijk het juiste woord voor de ander zijn? Als het in tegenspraak is met de daadwerkelijke bereidheid om te helpen, hoe zou het dan een geloofwaardig en waarachtig woord kunnen zijn? Als het niet voortkomt uit het verdragen, maar uit het ongeduld en de zucht tot heersen, hoe zou het dan het bevrijdende en genezende woord kunnen zijn? …
Wij moeten luisteren met ‘de oren van God’ om met het Woord van God te kunnen spreken. …
Het uitgangspunt, waardoor christenen met elkander kunnen spreken is, dat de een weet, dat ook de ander een zondaar is, die in al zijn menselijke grootheid verlaten en verloren is, als hij niet wordt geholpen. Dat betekent niet een kleinering van de ander of het hem ontnemen van zijn eer; veeleer wordt hier aan de ander de enige werkelijke eer bewezen, die de mens heeft, namelijk, dat hij als zondaar deel mag hebben aan de genade en de heerlijkheid van God, dat hij een kind van God is. Dit inzicht geeft aan het broederlijk woord de nodige vrijheid en openheid. Wij spreken elkaar aan vanuit de hulp, die wij beide nodig hebben. Wij vermanen elkander om de weg te gaan, die Christus ons wijst te gaan. …
Denken we misschien dat er ergens een mens zou zijn, die geen vertroosting en ook geen vermaning nodig zou hebben? Waarom heeft God ons dan eigenlijk de broederlijke gemeenschap als christenen gegeven?…
Wij vermanen elkaar om de weg te gaan die Christus ons wijst te gaan. Niets kan wreder zijn dan die ‘zachtheid’ die een ander overlaat aan zijn zonde. Niets kan barmhartiger zijn dan de harde terechtwijzing die de broeder van de weg der zonde terugroept. Het is een dienst der barmhartigheid, een laatste aanbod van echte gemeenschap, als wij alleen het Woord van God tussen ons laten staan, oordelend en helpend. Dan oordelen niet wij, dat doet God alleen en het oordeel van God is hulpvaardig en heilzaam.
Tot zover Bonhoeffer.
Er staat ons dus heel wat te doen voordat wij de ander kunnen aanspreken, maar het mag ons er niet van weerhouden de ander aan te spreken, integendeel. We mogen de ander niet aan z’n lot overlaten, niet afschrijven. Zoek een toegangsweg naar de ander, wees niet bedreigend, maar bemoedigend. Alleen in broederlijke en zusterlijke verbondenheid, in een leven in verantwoordelijkheid voor elkaar, kan de vermaning een door God geschonken opdracht zijn, kan de terechtwijzing een zaligspreking worden en tot vrede strekken.
Het is ook veel gemakkelijker ontvanger te zijn van de terechtwijzing als je weet dat het weloverwogen en uit zorg gebeurt. Het aangesproken worden kan namelijk helpend zijn de relatie met de ander en met God te verbeteren, te herstellen. Zo wordt een vermaning een bevrijdende dienst die wij elkaar kunnen bewijzen, als zusters en broeders toevertrouwd aan elkaar, allen kinderen van God, onze barmhartige Vader.
Tja… en dan te bedenken dat we pas bij de eerste zin uit het evangelie van deze zondag waren gebleven… Mocht het allemaal niet vruchtbaar zijn wat we tot nu toe geprobeerd hebben dan zijn ons gelukkig nog hulptroepen gegeven: een ander erbij roepen, of misschien wel twee, of in het ergste geval de hele gemeenschap. En als dit ook niet helpt, beschouw hem dan als heiden of tollenaar, besluit Jezus. Dat lijkt verder een hopeloze zaak. Maar we weten dat Jezus het verwijt kreeg, dat hij vriend was van tollenaars en zondaars. Dus er is een vangnet voor hopeloze gevallen: Jezus die klaarstaat als een vriend.

wijsheidsspreuk 22 van Franciscus van Assisi:

Gelukkig de dienaar
die een waarschuwing, beschuldiging of berisping
even geduldig aanvaardt van een ander
als van zichzelf.
Gelukkig de dienaar
die zich van harte neerlegt bij een berisping,
beschaamd gehoorzaamt, nederig schuld bekent
en het graag weer goedmaakt.
Gelukkig de dienaar
die zich niet meteen verontschuldigt
en nederig de schande en berisping aanvaardt
voor een zonde waaraan hij geen schuld heeft.