Lucas 4,1-13 – broeder Jan ter Maat ofm
inleidend woord:
Zusters en broeders, welkom in deze eerste vigilieviering in de veertigdagentijd, die wij beginnen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
De komende weken gaan we onderweg als Pelgrims van Hoop. Met onze Heer gaan we onderweg naar Jeruzalem. Het doel is helder, maar we gaan allemaal onze eigen weg. Zes tussenstops kent onze reis, met voldoende gelegenheid om ons eigen reisverhaal te schrijven.
Bidden wij, aan het begin van deze viering, om een gezegende reis.
uit het dagboek van een pelgrim…:
Ik ben een pelgrim. Althans, ik denk dat ik er één geworden ben. Veertig dagen geleden ben ik weggegaan, op weg gegaan. Ik proef nog de zoete smaak van het enthousiasme waarmee ik vertrok. Als ik er nu naar kijk was het een ingeving, geen plan dat ik al jaren met me mee droeg. Een doodgewone dinsdagochtend was het, toen ik wakker werd met de gedachte: ‘Ik moet op weg.’
Weggaan van de drukte naar de weldadige rust. Weggaan van het lawaai naar de zoete stilte. Weggaan van het geleefd-worden en mijzelf weer vinden. Bezinnen. Rijpen. Díe beweging was het die mijn zoete enthousiasme proefde. Alles achter me laten.
Ik ben weggegaan. Goedgemutst ben ik vertrokken. En die eerste dagen scheen de zon mij tegemoet. Ja, alles scheen mij goedgezind. Hoopvol was ik om die zoete rust te vinden. Dorstend naar bezinning vertrok ik.
Maar rust en stilte vond ik niet. Met elke kilometer die ik mij van huis bewoog, drupte er een druppel onrust in mijn ziel. Nauwelijks merkbaar kwam er bitterheid in mij. Eerst was ik dat geenszins bewust, of drukte ik de onrust weg, mij tegen beter weten in vasthoudend aan de gedachte dat ik mijn stilte weer zou vinden bij de volgende stap.
Maar ik verzuurde en verbitterde. Ik begon mij af te vragen waarom ik mijn paradijs verlaten had. Waarom ik mij begeven had in de ruwe en verzengende verlatenheid. In plaats van de verhoopte rijping ervoer ik dorheid in mijn ziel, leegte. Al mijn gedachten, die als watervallen bleven stromen, spraken van bedreiging en gevaar. Zou ik onderweg wel plaatsen vinden waar ik eten kon kopen en mijn drinkfles bij kon vullen? Wat als ik vallen zou en niemand in de buurt. Ik zou eenzaam kunnen sterven van dorst of ongeluk.
Voordat ik wegging had ik alles voor elkaar. Mijn leven was goed geregeld. Geen zorgen voor de dag van morgen. Nu werd ik bang voor de komende tien minuten. Wie zegt immers dat mensen je goed gezind zijn. Er zijn rovers, er zijn moordenaars, dieven en bedriegers. En ik ben te klein om iets tegen ze in te brengen.
Zo dacht ik. Mijn wereld was leeg geworden en kaal, maar mijn weg vol gevaren. Rust vond ik niet, alleen maar onrust. Al mijn gedachten vlogen me aan en paniek kneep mijn keel dicht. Geen hoop meer. Geen hulp meer.
Ik was weggegaan. In de hoop om de hemel op aarde te bereiken. Maar ik bleek mijn paradijs te hebben verlaten. Mijn stappen werden zwaar. De luchten donker. Zelfs God was verworden tot een valse belofte. Toen ik wegging wist ik hoe een pelgrimstocht zou zijn. Maar ik bereikte het punt dat ik niets meer zeker wist.
En toch ging ik voort. Alles wat ik aan verlangen en verwachting had opgebouwd ontglipte mij. Ik voelde mij leeg, helemaal leeg. En toen zag ik een vlinder. Wit, en nauwelijks groter dan mijn duim. In mijn schaduw vloog zij met mij mee. En mijn leegte werd ruimte. Ik voelde hoe die leegte in mij een ruimte werd die zich met elke vleugelslag van die vlinder vulde met liefde.
Want deze vlinder in mijn verlatenheid werd een metgezel. Een teken dat er Iemand bij mij was. Ik was weggegaan, weggetrokken uit mijn huis. Maar pas toen ik alles losgelaten had en de liefde tot Iemand toegelaten had, werd ik een pelgrim. Die dag is vandaag.
Ik weet nog niet hoe lang ik lopen moet. Ik weet nog niet hoe alles lopen zal. Mijn paradijs ligt achter mij, maar misschien geloof ik in een beter paradijs. Ik weet het niet. Maar wat ik weet is dat ik onderweg ben. Met Iemand. En ik zet weer een stap.