Prediker 1,2+2,21-23 en Lucas 12,13-21 – zr. Emmanuel
inleidend woord:
Broeders en zusters in Christus, wij zijn hier vanavond bijeen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen. Van harte welkom in deze vigilieviering.
‘Wat is de mens, wat zijn de dagen die aan de mens gegeven zijn?’ zo zongen wij. Dat is de vraag die de lezingen van deze zondag oproepen.
Wij zongen verder: wij zijn gras dat vergaat – niet minder, niet meer. Wij moeten bedacht zijn op de dood – in keer en tegenkeer. Voor prediker is dat reden om alles als ijl en ijdel te beschouwen. Wat doen onze inspanningen er immers nog toe, wat heeft de mens uiteindelijk aan al zijn geploeter? Wat is nog van blijvende waarde, van eeuwigheidswaarde?
In het Evangelie geeft Jezus ons antwoord op al die vragen. Maken we het nu een moment stil in onszelf, dat de Geest van God onze oren en ons hart kan openen – opdat wij het antwoord op al onze vragen goed verstaan.
bezinning:
Het moge duidelijk zijn: Jezus laat zich niet voor het karretje spannen, Hij laat zich niet in een rol duwen die Hem niet ligt. Hij is niet tot rechter of verdeler aangesteld, en daar past Hij dan ook voor. Maar Jezus zou Jezus niet zijn als Hij het gebeuren niet wist aan te grijpen, niet wist om te buigen tot een leermoment voor al zijn toehoorders.
Jezus vertelt zijn toehoorders – en daar horen wij ook bij – een parabel. Het land van een rijk man heeft een grote oogst opgeleverd. We horen niet of deze man degene is over wie Prediker het heeft, of de grote oogst het resultaat is van zijn eigen inspanningen en geploeter. Waarschijnlijker is, dat anderen voor hem gewerkt hebben. Hoe dan ook: de man denkt te weten wat hij met zijn rijkdom moet doen, hij denkt het dik voor mekaar te hebben. Maar hij blijkt dwaas in de ogen van God, hij blijkt niet rijk te zijn bij God.
Wanneer is iemand nu rijk bij God? Het volgende verhaal werpt daar een verhelderend licht op:
Toen een rijke man, die tijdens zijn leven erg gierig was geweest, moest sterven, luidde zijn laatste wens: ‘Leg al het geld dat ik heb bij mij in de kist.’ En men deed het.
Toen hij in de hemel aankwam, zag hij daar een tafel met de heerlijkste gerechten. Hij had honger en vroeg: ‘Wat kost die lekkere vis?’ ‘Eén cent’, was het antwoord. ‘En wat kost dat mooie brood?’ vroeg de gierigaard, ‘en dat vlees en die drank?’ Steeds was het antwoord hetzelfde: ‘Slechts één cent.’ ‘Wat goed’, dacht de vrek, ‘dat ik zoveel geld heb meegenomen. Het is allemaal erg goedkoop.’ En hij gaf één cent. De verkoper pakte de cent aan en bekeek hem nauwkeurig. ‘Die is hier niet geldig’, zei hij tenslotte. ‘Daarmee kun je hier niet betalen. Wij accepteren hier alleen maar geld dat je aan anderen hebt weggegeven. Niet het geld dat je van anderen genomen hebt!’
De rijke man sloeg zijn ogen neer. Zulk geld had hij niet.
Wat iemand rijk maakt bij God, is niet dat wat hij heeft op zich, maar dat wat hij daarvan geeft. Dat gaat niet alleen over bezit. Ook over onze gaven en talenten, onze tijd en energie, onze zorg en aandacht, onze liefde. Dat alles is ons geschonken, niet om het op te potten en voor onszelf te houden. Maar om ervan te delen en te geven. En dat niet precies afgemeten, niet pas als we zeker weten zelf niets tekort te komen, niet de tijd die we toch over hebben, niet dat wat we gemakkelijk kunnen missen.
Nee, God wil dat wij geven, zonder maat, zonder berekening, onvoorwaardelijk. God wil dat wij ons inspannen en ploeteren. Maar niet voor eigen gewin.
Zoals het in de parabel over de rijke dwaas klinkt: vroeg of laat wordt ons leven van ons opgeëist. Dan zal ons rekenschap gevraagd worden. Ons leven is niet ons bezit, wij zijn niet van onszelf. Ons leven is een gave van Godswege. Een gave die vruchtbaar dient te zijn. Want, zoals Meister Eckhart het verwoordt: ‘Slechts het vruchtbaar worden van de gave, is dankbaarheid voor de gave.’
Eens, vroeg of laat, geeft ieder van ons zijn of haar leven terug aan God. Moge dan blijken dat wij rijk zijn bij God, dat Hij al onze rijkdom is.