Romeinen 6,3-4.8-11 en Matteüs 10,37-42 – zr. Rebecca
inleidend woord:
In deze wake naar de zondag toe, mogen wij ons allen welkom weten in de Naam van Hem, die ons hier samen roept, onze God die is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Wat betekent het eigenlijk om leerling van Jezus te zijn? Dat is de vraag die ons door de lezingen van deze zondag wordt gesteld, en waarop zij ons ook een antwoord aanreiken. In de wereld van vandaag, waarin de naam ‘christendom’ op allerlei dingen wordt geplakt, is het urgenter dan ooit om hier duidelijk over te zijn. Zowel Paulus, in de Romeinenbrief, als Jezus, in het Evangelie, maken ons vanavond duidelijk dat christen zijn oneindig veel meer betekent dan alleen maar zondags naar de kerk gaan. (Of ook vijf keer per dag naar de kerk gaan, zoals wij!) Het gaat om een kwestie van leven en dood: van sterven aan zelfzucht en op een geheel nieuwe manier gaan leven in eenheid met Christus.
overweging:
Wanneer zijn wij waardig leerling van Jezus te heten en te zijn?
Het klinkt nogal hard, hoe Jezus in het evangelie van deze zondag bepaalde mensen van die waardigheid uitsluit: “Wie vader of moeder, zoon of dochter, meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig.” Is dit dezelfde Jezus die ons met zoveel nadruk het gebod van de onderlinge liefde heeft gegeven en die later in het evangelie de rijke jongeling die Hem om advies komt vragen, de tien geboden voorhoudt, waaronder het gebod: eer uw vader en uw moeder? (Mt. 19,19) Ja, toch wel. Waar Jezus ons vandaag op wijst, is de absoluutheid van de goddelijke liefde.
Wanneer een farizeeër hem later de vraag stelt naar het grootste gebod, luidt zijn antwoord: “U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.” (Mt. 22,37-39) Het liefhebben van God eist ons hele wezen op, alles wat wij zijn. Niet omdat God wedijvert om het grootste plekje in ons hart, naast alle anderen die wij beminnen – maar precies omdat God zelf de liefde is en oorsprong van al onze liefde, ja heel ons leven, iedere ademtocht. Als wij wie of wat dan ook boven God plaatsen ofwel belangrijker maken dan die Liefde die ons leven is, dan maken we in feite alle leven en liefde voor onszelf onmogelijk, omdat we ons afsnijden van de Bron van alle liefde.
Zo innig zijn wij in feite met God verbonden, dat Jezus kan zeggen: “Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft.” Dat is onze roeping en bestemming, om in die innige verbondenheid te leven – sinds onze doop, waardoor wij één zijn geworden met Christus, zoals Paulus ons vandaag in de Romeinenbrief voorhoudt. In de doop met Christus gestorven en tot nieuw leven opgewekt, moeten we onszelf beschouwen “als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.” Angstig zelfbehoud, alle dingen en houdingen die ons van God, onze Levensbron, zouden scheiden, hebben geen vat meer op ons sinds onze doop in Christus’ dood. Dit is de diepe waarheid – en ongehoorde vrijheid – van ons christelijk leven.
Dit is wat het betekent leerling van Jezus te zijn. Ons op onszelf gerichte leven steeds weer verliezen, om in eenheid met Christus Gods liefde gestalte te geven in ons leven. Uit onszelf zijn wij per definitie onwaardig, zoals wij in iedere Eucharistieviering ook zeggen: “Heer, ik ben niet waardig…” Maar God zelf schenkt ons de waardigheid zijn eigen kind, zijn Zoon te zijn, wanneer wij zijn Liefde erkennen als de grondslag van heel ons bestaan en iedere illusie verliezen van een bestaan buiten Hem om.