psalm 69 – br. Jan ter Maat
inleidende woorden:
Kijkend naar de lezingen van de 12e zondag door het jaar, horen we in de eerste lezing over Jeremia. Hij bevindt zich in een situatie dat zelfs zijn vrienden erop uit zijn om hem te laten vallen. Eenzaam en dreigend tekent Jeremia’s leven zich af. Maar het maakt hem niet moedeloos, integendeel. De profeet is ervan overtuigd dat zijn vijanden niets bereiken zullen, want zijn zaak ligt immers in de handen van de Heer.
Ook het Evangelie spreekt over een soortgelijk thema. Jezus wijst zijn apostelen op de bedreigingen die zij tegemoet zullen gaan. Duisternis én dood staan hen wellicht te wachten als zij het Evangelie aan de hele schepping verkondigen. Maar, zoals er geen mus op de grond valt zonder de wil van de Vader, zal ook de mens die zijn leven in Gods hand gelegd heeft, niet uit diens handen vallen.
Lezingen dus die spreken over dreiging én redding. Over contrasten. En die contrasten overdenken we in deze vigilieviering. Dat doen we niet aan de hand van de lezing uit de profeten, niet aan de hand van het zondagsevangelie. In deze viering overwegen we de tussenpsalm, die van oudsher aansluit bij het thema van eerste lezing en Evangelie. De psalm vertraagt de Liturgie van het Woord, zodat je echt wordt uitgenodigd om de woorden die God door de Schrift tot ons spreekt in je op te nemen. De psalmist helpt ons vanavond én morgen om de woorden uit de Bijbel écht te laten landen.
overweging:
Psalm 69, die we zojuist gehoord hebben, is een lange psalm. In de liturgie van de mis van de 12e zondag door het jaar wordt dan ook niet de hele psalm gebruikt als tussenpsalm. Slechts 7 van de in totaal 37 verzen klinken morgen in de officiële teksten van de mis.
Toch denk ik dat het goed is, dat de hele psalm gelezen is. Ik hoop dat je de beweging van de psalm een beetje hebt kunnen meevolgen. Want de beweging die psalm 69 volgt is de beweging van het begin van de eucharistieviering: schuldbelijdenis, kyrie en gloria.
De eerste dertien verzen van psalm schetsen de belabberde situatie van de psalmdichter. Een mens, bijna ten onder gaand in het water, wegzinkend, geen vaste bodem meer. Uitgeput, met een keel schor en brandende ogen van verdriet en tranen. Bedreigd door talrijke vijanden. Beschuldigd van dingen die je schuld niet zijn.
Het is een situatie die wij allemaal in meer of mindere mate wel herkennen. Ook ons overvalt weleens de uitzichtloosheid. En die kunnen we aan God voorleggen. En als we wat ons bedreigt voorleggen aan God, dan zien wij vaak dat jij daaraan ook schuldig bent. Vaak niet helemaal, vaak slechts voor een heel klein deel. Maar elke dag opnieuw spreek of denk ik op een manier die niet zuiver is. Dagelijks doe of laat ik dingen die ik anders had moeten kiezen.
En zo brengen grote en kleine zonden van mijzelf en grote en kleine zonden van anderen mij en anderen in die belabberde situaties van het leven.
Als daar de psalm ophoudt, als daar het leven ophoudt, dan is het duister om ons heen. Eeuwig duister.
Maar de psalm gaat verder. De mens die deze psalm zingt heeft immers weet van een vergevende God. Van een warmhartige, barmhartige God. Die kent toch Gods erbarmen, Gods omarmen? En die God, met dat warme hart en die innige omarming, die is aan te spreken. Die is aan te roepen! Heer, ontferm U! Christus, ontferm U! Heer, ontferm U. Mensen hebben weet van hun aandeel in hun eigen belabberdheid, in de belabberdheid van de wereld. Maar mensen hebben ook weet van een God die helpt, die redt, die je omhoogtrekt uit het kolkende water. Die een keer kan brengen in de uitwerking van mijn en hun zondigheid in het leven en de wereld.
En dan begint de psalmist Gods lof te zingen. “De naam van God wil ik loven met een lied!” Een vreugde maakt zich van je buit als je merkt dat God niet de Grote Afwezige is, maar Hij-Die-Erbij-Is. Die de nederige, de mens die wegzakt in de modder omhoog trekt. Een vreugde die niet alleen je eigen leven doordrenkt, maar alle belabberdheid uit de wereld weg wast.
Mensen leven in een wereld, die niet mooier wordt als er alleen maar mensen zijn. Mensen leven in een wereld die ten onder gaat aan de beperkingen van de mens, aan de belabberdheid van mensen. Tenzij je weet hebt van een God, die je kunt aanroepen. Die niet moe wordt om zijn aangezicht naar jou toe te draaien, je hand te vatten en je omhoog te trekken. Dan wordt de wereld weer een beetje mooier. Een beetje hemelser. Een beetje meer ‘in de gloria’. Tot eer van God. Amen.