1Kon. 19, 9a. 11-13a en Mt. 14, 22-33 – broeder Jan ter Maat
inleidende woorden:
Goedenavond en welkom in deze vigilieviering waarin we ons voorbereiden op de zondag. We zijn hier bij elkaar in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
We begonnen deze viering door te zingen over een God die op ons wacht. Maar het lied gaat verder: Wij kunnen Hem niet naderen zonder zijn hulp.
Hij heeft ons een wereld gegeven waarin wij mogen leven. Het is een wereld, een schepping, die – zoals Franciscus zingt – vol is van elementen, van zusters en broeders mede-schepselen, die Gods lof zingen. Maar we weten dat diezelfde geschapen wereld ook vol zit met gevaren, dat dezelfde elementen ook een bedreiging kunnen zijn. Dat broeder Wind rotsen, maar ook huizen kan verbrijzelen. Dat broeder Vuur niet alleen verwarmt, maar ook verbrandt. Dat zuster Water behalve kostbaar en kuis ook een zwarte doodszee kan zijn.
Daarom hebben wij God nodig. Hij kan ons helpen om Hem te vinden. Ook in deze viering.
overweging:
In het Evangelie van vandaag horen we dat Jezus zijn leerlingen zonder Hem naar huis stuurt. Er is net een ongelooflijk wonder gebeurd: met vijf broden en twee vissen werden vijfduizend mannen – vrouwen en kinderen niet eens meegerekend – gevoed én verzadigd. Want er bleven nog twaalf manden vol brood en vis over.
Ook wij bereiken dikwijls een punt in onze levens waarin we ons gevoed en verzadigd voelen: Na een retraite, waarin we volop de gelegenheid gehad hebben ons opnieuw af te stemmen op de stem die ons eens geroepen heeft. Na een vakantie, waarin we onze eigen adem weer hervonden hebben en daarin de adem van de Schepper hebben ontdekt. Na een pelgrimstocht, waarin we door fysiek af te zien hebben ontdekt welke wegen God voor ons geopend heeft. Het zijn regelmatig terugkerende, maar intense ervaringen in het leven van met-God-verbonden mensen. Het is zijn voedende en verzadigende ervaringen waarop we voorlopig kunnen teren.
Nu zitten Jezus’ leerlingen in een boot naar de overkant, naar huis. En Jezus trekt zich terug om te bidden. En daar, helemaal alleen op het meer, steekt de storm op. Na onze intense ervaring met Jezus begint het te stormen. Misschien zit jij ook in dat bootje, midden op dat zwarte water, midden in die storm. Misschien zie je op tegen wat er op je afkomt: je werk, je studie, je familie, je relaties, je gebrek aan tijd voor alles wat aandacht vraagt.
Het gewone leven kan je beangstigen en kan het binnen in je laten stormen. Maar dan heb je buiten Jezus gerekend. Hij is daar, in de storm op het meer bij zijn leerlingen. Hij is daar, op al die plekken in je leven waar je tegenop ziet. Hij is er, Hij is daar, omdat Hij jouw vriend is. Zelfs als je, net als Petrus, twijfelt of het leven wel sterk genoeg is om jou te dragen, trekt Zijn hand jou omhoog.
Er zijn dagen dat jij Jezus alle tijd en aandacht kan geven. Maar die momenten vervliegen ook weer. Ook al denken mensen vaak het op eigen kracht te kunnen, denken mensen vaak dat zij op water kunnen lopen: het is een illusie. Het enige dat jou uiteindelijk echt helpen kan is die hand van Jezus, die je vastgrijpt en nooit meer los laat. Die hand is er altijd. Nooit laat Hij jou de duizelingwekkende diepte van het leven in zinken.
Jezus is vasthoudend. In de wereld waarin je zo vaak moet kiezen wat belangrijk is, wat goed, wat waar is, heeft Hij allang voor jou gekozen. Hij staat naast jou. Altijd. Op de deinende golven. Hij pakt jouw hand als het nodig is en laat die nooit meer los.