* lezing: Lc. 12, 32-34; 3 Gezellen 28 + begin 29; Hebr. 11, 1-2+13-16; RegClar 8, 1-3 – zr. Johanna
bezinning:
Het begin van de Evangelielezing van vandaag deed mij onmiddellijk denken aan het verhaal van de drie Gezellen. Hier begon Franciscus’ broederschap. Tot dan toe had hij de armoede heel persoonlijk beleefd, maar nu sluiten zich de eerste twee broeders bij hem aan, en gaan zij verder in volkomen vertrouwen en overgave aan wat God hun zegt en brengt. Nadat ze hadden gehoord wat de Schrift hun zei, gingen ze onmiddellijk en onvoorwaardelijk doen wat ze zojuist gehoord hadden: al hun bezittingen verkopen en de opbrengst uitdelen aan de armen. Om vervolgens zonder enige zekerheid of beschutting uit Gods hand verder te leven.
Het “Ga en herstel Mijn huis” dat Franciscus eerder als roeping had ontvangen, kreeg nu een veel ruimere dimensie. Voor hem was evangelisch leven niet iets puur persoonlijks, maar een eis tot broederlijke menselijkheid die zich over de hele christelijke gemeenschap moest verspreiden. De meeslepende kracht van de evangelische boodschap moest doordringen in alle lagen van de bevolking, met zo’n intensiteit dat ze een nieuwe broederschap in Christus tot stand kon brengen.
Deze boodschap wilde hij doorgeven via een prediking die geen theologische, droge en levensvreemde problemen behandelde, maar die gericht was tot iedereen, door haar eenvoudige en overtuigende vorm. En het voorleven van de boodschap moest de waarde ervan laten zien.
Een monnik deed afstand van zijn persoonlijk bezit, het proprio zoals men in die tijd zei, maar niet van het commune, de bezittingen van de abdij. Franciscus deed afstand van het proprio én het commune, want zo had hij het voorbeeld van Christus en de apostelen geïnterpreteerd. Hij beleefde de totale armoede, zonder enige uitzondering.
Dit was niet alleen een religieuze en economische ommekeer, maar ook een verandering van sociale positie. De geestelijken en de monniken wilden niet het risico lopen honger te lijden of zich zorgen te moeten maken over hun levensonderhoud. Franciscus weigerde die zekerheid. Hij wilde de volkomen armoede beleven zoals Jezus die zei dat de Mensenzoon niet eens iets had waarop Hij zijn hoofd kon laten rusten. Jezus zei ook dat men moet vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid, zoals de leliën in het veld en de vogels in de lucht. En in nog zoveel andere bewoordingen dat het niet goed is om voorraden aan te leggen, maar juist om te delen wat je hebt met anderen, omdat het niet jou, maar God toekomt.
Deze radicaliteit is buitengewoon moedig van Franciscus, en het maakt het mij ook buitengewoon moeilijk om er een zinnig verhaal over te vertellen zonder er zelf bij te kijk te staan… want wij maken ons wel degelijk soms zorgen over onze toekomst, over onze inkomsten, en over de verbouwing die dat alles mogelijk zou moeten maken. Heel dit verhaal blijft een pittige uitdaging om te midden van alles vooral op God te vertrouwen, en niet op wat wij zelf aan zekerheid kunnen voorzien.
Ook voor Abraham was het geloof de vaste grond van zijn hopen. het geloof richtte hem onweerstaanbaar op iets wat hij niet kon zien, maar waarvan hij wist dat alleen dít de vervulling kon zijn van het diepe verlangen dat hem bewoog. Zo maakte het geloof hem tot pelgrim en vreemdeling op aarde. Het maakte dat ons gewone, menselijke doen en dat waar de meeste mensen hun geluk in vinden, voor hem geen thuis meer kon zijn.
Geloven is een pelgrimstocht in de geest, in de voetsporen van Christus, naar het hemels Vaderland. Als pelgrim kun je je geen onnodig zware bepakking veroorloven. Alle overtolligheden moeten achterblijven. Of zoals br. Joachim vorige week in zijn preek zei: “Onderweg zijn, stap voor stap. En met de kunst van het weglaten. Immers, alles wat je thuislaat is meegenomen.”